Zoeken in Anda Suriname

Staats Ziekenfonds contact

Bel: 134
Stichting Staatsziekenfonds / State Health Foundation

Bel op het nummer 134 en u wordt geholpen door één van de client representative van het SZF

Toets 2: Klantenservice • Algemene informatie • Verzekeringspaketten • Voorlichting • Gebruik Mopé app

Toets 3: Restitutie • Drop-off- en Whatsapp- restitutieprocedure

Toets 4: Medische Dienst • Ontheffingen • Thuiszorg • Garantiebrieven

Toets 7: Verzekerden Services • Nieuwe aanvragen SZF • Verlengingen • Uitschrijvingen • Artswisseling • Te betalen premie • Premiebetaling via bankovermaking of Mopé

Openingstijden call center: Ma-Vr 7.00 am- 3.00 pm

Whatsapp & SMS nummers (Let wel: op deze nummers kunt u niet bellen)

Premiebetalingsbewijzen:

+ 597 841-4170 of +597 841-4171

 

Verzekerdenregistratie:

+ 597 841-4166 of +597 841-4167

 

Medische Dienst:

+ 597 860-4817 of +597 875-1063 (Ontheffingen) en + 597 860-9618 (Thuiszorg)

 

Restitutie:

+ 597 881-4465 of +597 863-7318

 

 

website www.szf.sr

 

 

Mopé Alasei: +597 8965226

email:

[email protected]

[email protected]

[email protected]

[email protected]

[email protected]

 

 

 

 

Dobru

R. Dobru (Paramaribo, 29 maart 1935 – aldaar, 17 november 1983), pseudoniem van Robin Ewald Raveles, was een Surinaams dichter, schrijver en politicus (Statenlid voor de PNR en na 1980 een half jaar onderminister voor Cultuur). Zijn pseudoniem betekent: dubbele R, een verwijzing naar de initialen van zijn voor- en achternaam.

Als dichter en voordrachtskunstenaar was R. Dobru dé representant van het nationalisme, met name met het gedicht ‘Wan’ (de meeste mensen noemen het ‘Wan bon’ – Eén boom) uit zijn debuutbundel Matapi [Cassavepers] (1965), een gedicht dat door zijn eenvoudige woordkeus en structuur gemakkelijk gememoriseerd kan worden en dat veel Surinamers dan ook van buiten kennen. Het werd in veel talen vertaald. Dobru stimuleerde velen tot schrijven in het Sranan en Surinaams-Nederlands en werd door velen nagevolgd. Hij was redactielid van het tijdschrift Moetete (1968-69).

 

Zijn proza in Wasoema [Wasvrouw] verzamelde schetsen uit het leven op een erf van Paramaribo (1967), De plee (wc) en andere verhalen (1968) en de korte roman Oema soso [Enkel de vrouw] (1968) is levendig, maar lijdt aan een teveel aan gepreek. Zijn politieke memoires verschenen in 1969: Wan monki fri [Een stukje bevrijding]. Hij schreef voorts twee Surinaamse keukenmeidenromans, waaronder Bos mi esesi [Omhels mij snel] die vooral belangrijk zijn om hun gebruik van het Surinaams-Nederlands, en een bundel Anansi-Tori [Spinvertellingen] (1979). Zijn poëzie heeft in de vroege jaren enkele zuivere gedichten opgeleverd, maar verviel meer en meer in het afwikkelen van een recept. Hij speelde in op de politieke actualiteit, bijvoorbeeld met het gedicht ‘Gooi een stoel’ toen er op 11 juni 1979 in de Staten van Suriname een vechtpartij uitbrak waarbij er met stoelen werd gesmeten. De invloed van Cuba, Mao en Kim Il-sung leverden de laatste jaren enkel nog politiek getinte publicaties op.

Dobru schreef altijd over twee vaste thema’s: liefde en revolutie. Met de coup van 1980 ging hij enthousiast mee en hij werd op handen gedragen. Zijn beste gedichten werden bijeengebracht in Boodschappen uit de zon (1982). Postuum werd hem in 1989 de Gouden Ster van de Revolutie toegekend. In 2006 kreeg hij, eveneens postuum, de Gaanman Gazon Matodja Award. Toen hem eens gevraagd werd of hij leefde van de pen, antwoordde hij: “Ik leef van de revolutie! Ik wil dat de ogen van mijn volk opengaan.”

Dobru debuteerde in 1965 met de bundel ‘Matapi’, welke zoveel betekent als ‘cassavepers’. In het titelgedicht Matapi wordt een cassavepers aangeschreven; een pers waarmee de schadelijke stoffen uit de cassave worden gehaald, waarna er een soort stijfsel overblijft. Het stijfsel zou de Surinaamse cultuur moeten behouden. De bundel bevat Surinaams-Nederlandse gedichten, gedichten in het Sranan, en enkele korte prozastukken in het Sranan.

 

Hoewel Dobru in eerste instantie enkel in het Sranan schreef, zette hij later Nederlands in om een grotere lezersgroep te bereiken. Javaanse en Hindoestaanse critici hadden zijn werk een ‘Creoolse aangelegenheid’ genoemd. Sranan werd door hen niet gesproken. Sommige gedichten in Matapi zijn erg politiek geladen, andere behandelen het gevoelsleven van Dobru. Een aantal gedichten bevat verwijzingen naar de Winti-religie, waar Dobru een aanhanger van was.

Het bekendste gedicht uit de bundel is zonder twijfel ‘Wan Bon’, een gedicht waarin R. Dobru zijn hoop op één Surinaams volk uitdrukt. Aan de hand van verschillende metaforen beschrijft hij hoe Suriname weliswaar diverse bevolkingsgroepen kent, maar toch in staat zou moeten zijn één geheel te vormen. Het gedicht wordt nog regelmatig bij nationale gelegenheden voorgedragen en heeft een belangrijke symbolische functie binnen de Surinaamse literatuur ingenomen. Zijn poëzie en proza in het Sranan hebben er bovendien voor gezorgd dat Sranan meer als ‘volwaardige taal’ werd erkend. Dobru was één van de eerste schrijvers die de orale traditie van het Sranan doorbrak.

R. Dobru raakte al op jonge leeftijd geïnteresseerd in het Surinaams nationalisme. Op school werd hem verboden om Sranan, zijn moedertaal, te praten. Dit had ten gevolg dat hij zich lange tijd schaamde om zich in het Sranan uit te drukken. Hij zegt hierover: “Ik heb duizend strafregels moeten schrijven op de lagere school: ik mag geen Negerengels spreken.

 

Thuis moest je tegen je ouders Nederlands spreken, al spraken ze je in het Surinaams aan. Een keer heb ik het geprobeerd – er is mij door mijn moeder bijna een tand uit de mond geslagen. Ik was oneerbiedig.” Uiteindelijk kwam hij in aanraking met Wie Eegie Sanie, een beweging die het Surinaams en de Surinaamse cultuur wilde bevorderen. Hij zou uitgroeien tot een van de belangrijkste figuren binnen deze beweging.

Van zijn ouders kreeg hij een politieke opvoeding mee. Zijn vader, Josua Raveles, was een tijdlang lid van de Nationale Partij Suriname (NPS) en discussieerde vaak met zijn zoon over de Surinaamse politiek. Later distantieerde hij zich van de harde politiek die de partij er op nahield. R. Dobru sloot zich ook aan bij de NPS en richtte samen met Harrald Axwijk en Theo Uiterloo de daaruit voortkomende partij, de Partij Nationalistische Republiek, op. Voor deze partij werd hij parlementariër.

 

Over de begintijd van de NPS schrijft hij in Wan Monki Fri: “Weinigen hadden toen op 1 september 1961 vermoed, dat wij erin zouden slagen, dwars door sociale, religieuze en raciale groepen heen, onze ideeën eigendom te doen worden van de massa van ons volk. (…) Wij hebben strijd moeten leveren tegen onszelf en onderling, zodat defaitisme niet de overhand nam. Sommigen zijn onderweg gesneuveld. Het duurde te lang. Men werd moe. (…) Langzaam maar zeker kregen wij houvast bij groepen in de gemeenschap, die wij met onze rechtlijnigheid en onze opofferingsgezindheid overtuigden. De beginselen bleven staan. Als sterren van Bethlehem bleven wij daar achter optrekken naar de overwinning.”

Tijdens de eerste regeringsperiode, waar voor de PNR Eddy Bruma aan deelnam, brak er een aantal stakingen uit. Op 9 februari 1973 werd R. Dobru tijdens een van deze stakingen door een aantal agenten mishandeld. Tijdens de verkiezingen later dat jaar werd hij verkozen tot parlementariër. De PNR voerde inmiddels geen oppositie meer, en werd nu zelf hard aangevallen door met name links-communistische oppositiepartijen. Zelf probeerde R. Dobru zijn idealen zo min mogelijk te verloochenen in het licht van politieke concessies. Hij schreef in deze tijd veel politieke gedichten, waaronder het gedicht ‘Sjaki’, over een parlementariër die na verkiezing zijn volk niet meer in acht neemt.

Na de coup onder leiding van Bouterse in 1980 werd Dobru korte tijd onderminister van cultuur.

De R. Dobru-stichting die zijn gedachtegoed levend wil houden, publiceerde een kalender met zijn gedichten, maar liet verder zelden iets van zich horen. In 2006 liet Yvonne Raveles-Resida, weduwe van R. Dobru en voorzitter van de stichting, aan de Nederlandse ambassade weten dat hun verzoek om een gedicht van R. Dobru ter verfraaiing op het hek te mogen aanbrengen niet werd gehonoreerd vanwege de slechte behandeling van Surinaamse staatsburgers in Nederland.

Op 24 november 2010 promoveerde Cynthia Abrahams-Devid aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift: Wan bon ˗ Wan Sranan ˗ Wan Pipel; Robin ‘Dobru’ Raveles, Surinamer, dichter, politicus, 1935-1983. Promotor was prof. dr Michiel van Kempen, copromotor prof. dr em. Bert Paasman.

In november 2013 werd Dobru door de Anton de Kom-Universiteit van Suriname postuum een eredoctoraat toegekend; het was voor het eerst dat de universiteit iemand een eredoctoraat toekende die niet meer in leven was. De bul werd dertig jaar na Dobru’s overlijden in ontvangst genomen door zijn weduwe, Yvonne Raveles-Resida.

 

 

Bron Wikipedia Wiki pedia

Eduard Johan (Eddy) Bruma

Eduard Johan (Eddy) Bruma

Eduard Johan (Eddy) Bruma (Paramaribo, 30 mei 1925 – aldaar, 6 november 2000) was een Surinaams jurist, schrijver en politicus.

Eddy Bruma (1975)Tijdens de Tweede Wereldoorlog zat hij gevangen vanwege zijn nationalistische activiteiten. Na die oorlog studeerde hij rechten aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en was hij in 1951 betrokken bij de oprichting van de Surinaamse culturele vereniging Wie Eegie Sanie. Na terugkeer in zijn moederland in 1954 vestigde hij zich als advocaat in Paramaribo. Daarnaast was hij in Suriname ook politiek actief.

Zo stichtte hij in 1959 de Nationalistische Beweging Suriname (NBS) die in 1961 opging in de creoolse Partij Nationalistische Republiek (PNR). De PNR streefde naar onmiddellijke onafhankelijkheid terwijl de eveneens creoolse NPS onder leiding van Pengel dat pas op lange termijn wilde. In dat jaar behaalde de PNR bij de Staten-verkiezingen geen zetel.

Bij de verkiezingen van 24 oktober 1969 haalde zijn partij wel een zetel waarna Bruma als Statenlid oppositie voerde tegen de regering onder leiding van premier Sedney. Verder was hij voorzitter van de in 1970 opgerichte vakbond Centrale 47 (C-47; een tegenhanger van de meer aan de NPS gelieerde Moederbond) totdat hij werd opgevolgd door Fred Derby.

In 1973 was de PNR één van de partijen die deel uitmaakte van de Nationale Partij-kombinatie (NPK) die 22 van de 39 zetels haalde. Na die verkiezingen was Eddy Bruma vier jaar lang de minister van Economische Zaken in het kabinet-Arron terwijl zijn partijgenoot Eddy Hoost minister van Justitie werd.

Tijdens die regeerperiode werd het ideaal van Bruma verwezenlijkt: Suriname werd in 1975 onafhankelijk van Nederland. Bij de parlementsverkiezingen van 1977 lukte het de PNR niet om een zetel te bemachtigen.

Na de staatsgreep in 1980 onder leiding van Desi Bouterse was Bruma de formateur van de regering Chin A Sen waar naast burgers ook leden van de Nationale Militaire Raad (NMR) in zaten. De arts Chin A Sen was lid van de PNR maar tot dan niet politiek actief.

Hierna was hij vooral actief als advocaat en gaf hij soms politieke adviezen. Zo gaf president Wijdenbosch zijn neef Bruma in 1996 de leiding over de evaluatie van de betrekkingen tussen Suriname en Nederland.

Eddy Bruma leidde in de jaren ’50 de culturele organisatie Wie Eegie Sanie, aanvankelijk in Nederland, later in Suriname. Hij was een voorvechter van het Sranan en mederedacteur van het Surinamenummer van het Friese tijdschrift De Tsjerne (1952) waarin zijn verhaal ‘De fuik’ verscheen over de leegloop van het arme kokosdistrict Coronie – later afgedrukt in de bloemlezingen Verhalen van Surinaamse schrijvers (1989) en Mama Sranan (1999) .

Bruma schreef voorts gedichten (opgenomen in de bloemlezingen Creole Drum (1975) en Spiegel van de Surinaamse poëzie (1995) en toneelspelen die zich in de slaventijd afspelen: De geboorte van Boni (1952 in Nederland opgevoerd, in 1957 in het Sranan in Suriname) over de guerrillaleider Boni, zoon van een gevluchte slavin, die strijd voerde tegen de koloniale overheerser en de slavernij. Later volgde het stuk Basja Pataka (Suriname 1958). Hij schreef en regisseerde voorts Anansietori met veel dans en muziek uit de creoolse traditie.

Paul François Roos

Paul François Roos

Eind 18e eeuw ontstonden er de nodige culturele activiteiten in Suriname. Een van de destijds actieve dichters destijds was Paul François Roos.

Paul François Roos (1751–1805) was een Nederlands planter en dichter, werkzaam in Suriname. Roos kwam in 1769 in Suriname aan. Hij begon als “blankofficier” (overseer = opzichter) op de plantage De Goede Verwachting aan de Motkreek. Hij klom hierna op tot directeur op koffieplantage De Jonge Byekorf te Commewijne. Later werd hij administrateur en koopman / planter. Hij huwde in 1785 met Johanna Francina Seonnet, maar hij kreeg bij haar geen kinderen, wel bij zijn slavin Prinses.

Roos vervulde verschillende publieke functies en was betrokken bij de oprichting van het Kollegie van Natuur-Onderzoekinge en het letterkundig genootschap De Surinaamsche Lettervrinden. In 1784 schreef hij de Redevoering over de oorzaken van ’t verval en middelen tot herstel der volksplanting van Suriname. Ook schreef hij `Schets van het Plantaadjeleven’ . waarin hij uitvoerig het leven op een plantage schildert.

Het bekendste werk van Roos is Surinaamsche mengelpoëzy.

 

Tyndall

Tyndall

Geen automatische alt-tekst beschikbaar.De familie Tyndall, o.a. ook wel Tyndal, Tijndall of Tindal, is tijdens het Engelse tussenbewind (1802-1816) uit Brits-Guiana naar Suriname gekomen. In Suriname waren de Tyndalls met name in Nickerie actief. De familie waaierde uit naar verre streken.

De oorsprong van deze familie ligt in Tynedale Northumberland. De familie Tyndall had familiebanden met De Veer, waarvan Abraham de Veer van 1822 tot 1828 gouverneur van Suriname was.

Joseph de Veer Tyndall (1778-1845) was met zijn slaven vanuit Grenada naar Suriname gekomen. In Nickerie werden hij en zijn gezinsleden eigenaar resp. directeur van de buurplantages Waterloo, Nursery en Hazard. Hiernaast werden ze ook eigenaar van de aan zee gelegen plantage met de toepasselijke naam Sealand (resp. Zeeland).

Een zoon van deze Tyndall trad in het huwelijk met een Herbert. Hierdoor kwam plantage L’Esperance in het bezit van de Tyndall’s, evenals Klein Bellevue.

Ook was plantage Ellen in Commewijne een tijdje in het bezit van de familie Tyndall. Waarschijnlijk kochten ze deze plantage om de slaven over te brengen naar Nickerie. Zij werd namelijk niet meer genoemd in het emancipatieregister uit 1863 en de plantage was waarschijnlijk toen al verlaten.

De familie Tyndall kwam in de loop van de 19e eeuw vanuit Suriname op meerdere plaatsen terecht, zoals bijvoorbeeld Amerika (George Henry Tyndall) en Australie (Charles Samuel Tyndall).

 

 

  Auteur: Nico Eigenhuis

Samson versus Van Meel

Samson versus Van Meel

Het huis van Elisabeth Samson

De positie van ‘vrije negerinnen’ was begin 18e eeuw niet te benijden. Predikant Kals nam het om die reden op voor de bekeerde Isabella die wilde trouwen om niet in ‘hoererij’ te hoeven leven. Toen de bekende vrije negerin Elisabeth Samson in een conflict belande moest ze om haar gelijk te halen naar Nederland afreizen.

Elisabeth Samson (1715-1771) groeide op in het huishouden van haar halfzuster Maria Jansz. die getrouwd was met de handelaar Frederik Coenraad Bossé.

Ze stond via haar zus en zwager in nauw contact met de blanke elite en leerde zo het zakenleven van nabij kennen. Zij leerde rekenen en schrijven en hielp in Bossé’s handelsmaatschappij met de correspondentie en administratie.

Ten tijde van het conflict was Raye (1699-1737) nieuw aangesteld als gouverneur. Hij was bij zijn aankomst in 1735 gechoqueerd over de behandeling van de zwarte slaven in de kolonie en de ruim 400 onafgedane processen voor het Hof van Justitie.

In 1737 was hij de derde gouverneur die trouwde met Charlotte van der Lith. Met haar eerste twee partners had zij elk een dochter. Met Raye kreeg ze een zoon, maar toen zij beviel was haar man reeds drie maanden overleden.

In juli 1736 raakte Elisabeth Samson betrokken bij een incident dat voor haar zou leiden tot een veroordeling wegens laster en meineed. Een koperslager, Peltser, had de toenmalige gouverneur Raye na een woordenwisseling tussen de gouverneur en Peltsers vrouw, voor canaille (ploert) uitgemaakt. Samson hoorde dit en rapporteerde het aan Raye.

Er volgde een politie-onderzoek, maar de raad-fiscaal van Paramaribo, Gerard Willem van Meel, besloot niet tot vervolging van Peltser over te gaan omdat andere getuigen niets van een belediging hadden vernomen. Raye stond er echter op dat iemand werd veroordeeld, met het gevolg dat de verdenking op Elisabeth Samson zelf kwam te liggen.

Van Meel begon hierop een proces tegen de vrije negerin Elisabeth, omdat ze een `praatjes uitstrooister’ zou zijn. Door het hof werd Elisabeth veroordeeld tot verbanning ‘ten eeuwigen dage’ uit de kolonie. Elisabeth reisde daarop naar Nederland, waar haar advocaat bij de Staten-Generaal om revisie van het vonnis vroeg.

Op 31 oktober 1739 stelden de Staten-Generaal de raad-fiscaal van Paramaribo in het ongelijk en vernietigden het vonnis. Na deze overwinning keerde Elisabeth terug naar Suriname.

 

  Auteur: Nico Eigenhuis

Beloningen

Beloningen Voor wat hoort wat

       Vorige pagina

In het kader van de politiek van verdeel en heers, respectievelijk voor wat hoort wat, werden er voor collaboratie of deals met de kolonisator persoonlijke beloningen verstrekt. In een aantal gevallen werd de deal uiteindelijk toch niet nagekomen.

Afbeelding kan het volgende bevatten: tekstDe omstandigheden waarin werd overgegaan op het samenwerken met de kolonisator zijn niet altijd meer duidelijk. Dat maakt het lastig om over de individuele gevallen te oordelen. Kennelijk waren de ontvangers in een aantal gevallen ook trots op de verkregen decoraties. Soms werd een afgesloten deal ook als een overwinning ervaren. In onderstaande voorbeelden betreft dit een stuk collaboratie, al dan niet onder dwang of toepassing van een vorm van chantage.

1730 Quassie van Timotibo

Hij werd voorzien van een gouden borstplaat met de inscriptie “Quassie, trouw aan de blanken”, in 1755 werd hij gemanumitteerd voor gevoerde onderhandelingen met marrons.

1772 Corps Zwarte Jagers

Wie lid werd van het Corps Zwarte Jagers, ook wel Redimusu genoemd, werd de manumissie in het vooruitzicht gesteld. Het weerhield een aantal van ze niet om te rebelleren tegen hun opdrachtgevers.

1812 Bambi

In het jaar 1812 kreeg het Groot-opperhoofd der Ndyukas, Bambi, een gedenkteken uitgereikt: een zilveren ringkraag met een schild, naar aanleiding van zijn overwinning in 1793 op Boni en Courmantin Codjo van de Aluku. Op Fosten is een aparte post over Bambi te vinden waarin is beschreven onder welke omstandigheden hij besloot om de strijd met de Aluku aan te gaan.

1836 George

Hij was één van de twee verraders van Tata Colin te Leasowes Coronie in 1835, en kreeg hiervoor een zilveren medaille “Aan den slaaf George van de pl. Leasowes voor bewezen trouw aan het wettig gezag in 1836”

Geen fraai stuk Surinaamse geschiedenis, maar wel een om niet ongemerkt aan voorbij te gaan.

 

  Auteur: Nico Eigenhuis

Algemene info Suriname

       Vorige pagina

Suriname –    Landcode: SME

De gemiddelde temperatuur overdag is in Suriname rond de 32 graden; in de droge tijd kan de temperatuur opklimmen tot ongeveer 35 graden celcius. ’s Nachts ligt de temperatuur tussen de 18 en 22 graden.

 

Electriciteit:  normale netstroom is 127 volt – 60 hz. Veel huizen en hotels hebben ook 220 volt aansluitingen.

 

Tijd in Suriname:    GMT -4:00  

(Greenwich Mean Time) In Suriname is het 4 uur vroeger dan in Nederland.

In de Ned. zomertijd is het verschil 5 uur. Suriname kent geen zomer- of wintertijd.

 

 

Geld Suriname kent de SRD – Surinaamse Dollar. De waarde van de SRD is vast gekoppeld aan de USD dollar. 1 US $ = 7,30 SRD. U kunt het beste geld wisselen bij de banken. Soms geven Cambio’s – wisselkantoortjes een iets hoger koers in uw voordeel. Let echter goed op en wissel nooit uw geld op straat, bij de straatventers.

 

 

Lucht-vochtigheid De gemiddelde luchtvochtigheid is 80 %, ’s nacht zelfs rond de 95 %. Zo kan het gebeuren dat als u uw kleding of schoenen ’s nachts buiten laat , deze de volgende morgen kletsnat zijn van de dauw. Gaat u voor langere tijd naar het binnenland dan kunt u de droge kleding en schoenen het best inpakken in gesloten (ook vanwege insecten) plastic zakken.

 

Regen In Suriname kan het stortregenen. Werkelijk met bakken tegelijk. Daar helpt een regenjas en paraplu maar weinig tegen. ( een poncho of een regenpak, bestaande uit jas en regenbroek is weinig praktisch, omdat u vanwege de warmte dan weer snel nat bent van het zweet ) Een voordeel is dat je de regen vaak “hoort of ziet” aankomen en dat het bijna altijd maar van korte duur is. Als je wordt overvallen door de regen, zoek dan net als ieder ander, snel een schuilplaats, want binnen enkele seconden ben je doorweekt. Toerisme in Suriname is volop in ontwikkeling. Er zijn nu speciale opleidingen op het gebied van toerisme.En u zult daarom dan ook gastvrij ontvangen worden. Surinamers zijn hartelijke open mensen. Suriname wordt ook steeds bewuster van onze eigen verantwoording van het behoud en onderhoud van eigen natuurschoon. Het ongerepte regenwoud van Suriname dat grote onafgebroken delen van het landoppervlak beslaat is nog vrijwel onbewoond. Er komen in Suriname nog bomen, dieren en plantensoorten voor, die nog niet ontdekt zijn.

 

Kleding Draag in Suriname geen Synthetische stoffen, zoals polyester, acryl en nylon maar luchtige, katoenen of linnen kleding. Het dragen van een zonnebril en pet of ander hoofddeksel is in verband met de felle zon zeker aan te raden. Vergeet vooral niet in te smeren met een goed zonnebrandcrème. U verbrandt snel.    

 

Nationale feest- en vrije dagen

1 januari    woensdag   Nieuwjaarsdag

25  januari    zaterdag    Chinees Nieuwjaar

25  februari   dinsdag   Dag van Bevrijding en Vernieuwing

10 maart   dinsdag   Holi Phagwa

10 april    vrijdag    Goede Vrijdag

12 april    zondag   1e Paasdag

13 april    maandag    2e Paasdag

1 mei    vrijdag      Dag van de Arbeid

24 mei    zondag    Idul Fitr

1 juli    woensdag    Keti Koti

31 juli   vrijdag     Idul Adha

9 augustus    zondag    Dag der Inheemsen

10 oktober   zaterdag    Dag der Marrons

14 november   zaterdag    Divali

25 november   woensdag    Onafhankelijkheidsdag

25 december   vrijdag    1e Kerstdag

26 december    zaterdag 2e    Kerstdag

 

 

 

Quassie Matewarie

Quassie Matewarie Plantage eigenaar

       Vorige pagina

Het laatste dat je zou verwachten in Suriname is dat een Marron ook plantage-eigenaar zou zijn. Toch was dat in 1829 het geval. Hoe is dat zo gekomen.

Afbeelding kan het volgende bevatten: lucht, plant, buiten, water en natuurBij het afsluiten van de vrede met de verschillende groepen Marrons was het te doen gebruikelijk dat een prominent lid van de gemeenschap als Ostagier of Pantiman (gijzelaar) werd meegenomen naar Paramaribo.

Hierdoor werd het de Marrons waarmee vrede was overeengekomen lastig gemaakt om afspraken te schenden. Over de omstandigheden voor de Pantiman in de stad is verder weinig bekend.

Een van de plantages aan de Saramaccarivier is houtplantage Abine’s rust, waarvan in 1828 de erven J’Abenie als eigenaars genoteerd staan.

In 1829 en latere jaren wordt als eigenaar vermeld Ostagier Quassie (Kwasi) Matewarie, waarbij dat laatste duidt op de Marronstam Matewarie. Ter plekke is een directeur aangesteld, H. Leunings, en er is een administrateur genaamd A. van Auka. Over de precieze betekenis van deze situatie is het verder gissen. Zo is de naam Abenie bekend als slavennaam en zou Abine’s rust ook best eens Abenie’s rust kunnen betekenen.

De overgang naar Ostagier Quassie zou kunnen betekenen dat hij in de positie was om de erven af te kopen, maar ook dat de plantage aan hem is overgedragen. De aanwezigheid van een directeur en administrateur duidt erop dat er slaven werkzaam waren, maar of dit ook daadwerkelijk het geval was is nog maar de vraag.

De vredesovereenkomsten werden door de Marrons niet altijd nagekomen. Zo werd op basis van het niet nakomen van de vredesovereenkomst uit 1762 de Saramaccaanse leider Coffy in 1835 afgezet.

Hij weigerde wegloper Pasop en zes medevluchters uit te leveren. Een stilzwijgende afspraak binnen de Marrongemeenschap was om nieuwe vluchters niet conform de overeenkomst uit te leveren, maar deze gewoon onderdak te bieden.

Auteur: Nico Eigenhuis

 

 

 

 

Nieuw-Rotterdam – De verzonken stad

De verzonken stad

       Vorige pagina

Van de ooit prominente Rotterdamse aanwezigheid in Suriname zijn de sporen inmiddels uitgewist. Dat vraagt om een kleine reconstructie.

De Rotterdamse WIC ging op in een samenwerkingsverband met Delft en Dordrecht in de WIC kamer van de Maas. In de Rotterdamse WIC -die was gevestigd aan de Nieuwe Haven- speelde de familie Du Bois een grote rol.

Hugo du Bois (1680-1740) trad in 1730 als bewindhebber bij de WIC aan, maar deed in 1734 afstand ten behoeve van zijn zoon Franco Daniël. Toen deze in 1740 op vrij jonge leeftijd stierf nam Hugo’s andere zoon, Abraham Adriaan, diens WIC zetel over. In 1742 maakte hij de overstap naar de VOC.

Rond 1820 werd op De Punt van het district Nickerie de hoofdstad Nieuw-Rotterdam gevestigd. In die periode was het gebied zeer belangrijk omdat tijdens het Britse tussenbestuur de plantages van de Engelsen en de Schotten naar Nickerie en Coronie werden verlegd. Nieuw-Rotterdam was gebouwd aan twee loodrechte straten, waaronder de Kerkstraat, die liep van zuid naar noord en eindigde met de toren van de kerk.

De gemeenteraadsleden hadden meerdere huizen, er was een versterkte militaire post en er waren kazernes. Een prominente bewoner van Nieuw-Rotterdam was Anthony Desse (1807-1868). Hij was eerst militair en werd daarna een machtige plantagehouder. De plantages Leasowes, Sarah, Paradise en Catharina Sophia waren zijn eigendom. De bekende Surinaamse familienaam Essed bevat een verwijzing naar Desse.

Nieuw-Rotterdam lag op een ongelukkige plek, waardoor de zee het weer zou overnemen. De eerste stormvloed kwam in 1866. In 1875 kwam er nog een, die het einde van Nieuw-Rotterdam inluidde. Het stadje werd omstreeks deze tijd door de zee verzwolgen.

 

 

 

 

Auteur: Nico Eigenhuis