Zoeken in Anda Suriname

Het verhaal van de Lalla Rookh

← Terug

Het verhaal van de Lalla Rookh.

Inleiding.
Het document, door mij toegevoegd aan bijgaande afbeelding van de Lalla Rookh, is waarschijnlijk het eerste handgeschreven bericht betreffende dit immigrantenschip. Hierin wordt de registratie, op 8 juni 1864 onder nr. 41023, bevestigd van het schip dat voor die tijd Radiant als naam voerde. Op grond van dergelijke documenten werden de scheepsregisters opgesteld door o.a. LLoyd’s Assurance. Voor mij was het een welkome aanvulling bij mijn speurtocht naar de geschiedenis van dit schip. Waarvan hieronder het verslag.

De start.
Op 26 februari 1873 vertrok het immigrantenschip de Lalla Rookh uit de haven van Calcutta naar Suriname, met aan boord 410 Hindostaanse contractarbeiders, mannen, vrouwen en kinderen. En het was op 4 juni van dat jaar, dat het schip voor anker ging bij het vuurschip aan de monding van de Surinamerivier. Elf Immigranten hadden de reis niet overleefd. Een twaalfde overleed kort na aankomst. De contractanten werden niet, zoals later, opgevangen in een koeliedepot, maar vanuit fort Nieuw Amsterdam direct verdeeld over diverse plantages. De reden hiervoor was dat de Lalla Rookh een te grote diepgang had om direct bij Paramaribo te kunnen aanmeren.
Verder was er over de Lalla Rookh niet zo heel veel bekend, noch over de voorgeschiedenis, noch wat betreft het verdere verloop. Ook afbeeldingen van het schip, geplaatst bij diverse artikelen, bleken betrekking te hebben op andere schepen met dezelfde naam. Fragmentarisch was er in artikelen, websites en boeken wel wat informatie te vinden, maar vaak bleken de gegevens onderling nogal te verschillen. Dit is niet onbegrijpelijk als men bedenkt dat er wel zo’n twintig schepen met die naam zijn geweest.
Het lijkt me niet zinvol al deze informatie kritisch langs te lopen. Ik heb me er meer op gericht om gebruikmakend van verschillende, deels nieuwe, bronnen tot een min of meer samenhangend verhaal over het immigrantenschip te komen.

De naam Lalla Rookh.
Lalla Rookh was de dochter van de Indische Mogol Aurangzeb, die leefde tussen 1618 en 1707, maar zij werd onsterfelijk als heldin van het naar haar vernoemde dichtwerk uit 1817 van de Ierse poëet en schrijver Thomas Moore (1780-1852). Het eerste schip met die naam liep al in 1823 van stapel.

Begin van de zoektocht.
Belangrijk in de eerste plaats was om vast te stellen welke van alle Lalla Rookh schepen, onderling verschillend in bouwjaar en tonnage, de “echte” Lalla Rookh was.
Een eerste aanknopingspunt was het Koloniaal Jaarverslag 1873. Hierin stond naast
de naam van het schip, ook de tonnage (1277) en de naam van de kapitein (R.H. Gilliat) vermeld. Met deze gegevens vond ik in de LLoyd’s Registers al snel het bouwjaar (1853) en de plaats van de werf (Boston). In het begin was Boston ook de thuishaven, later werd dit Calcutta. Ook veranderde het schip enkele malen van eigenaar. Ik vond zowel Engelse als Indiase namen (zie ook later).

Radiant / Lalla Rookh.
Lange tijd leek ik niet verder te komen, totdat ik opeens in één van de scans van Lloyd’s bij de naam Lalla Rookh een klein sterretje zag staan, wat me tot dat moment ontkomen was. Het bleek te verwijzen naar een wel zeer belangrijke voetnoot. Daarin stond namelijk dat het schip ook bekend was onder de “foreign name Radiant”. Eerst kwam ik hier niet verder mee, maar na meer malen deze naam ingetoetst te hebben in steeds wisselende combinaties, leverde dit toch resultaat op.
In een oud boek, The Sailing Ships of New England, 1607-1907, schrijver J.Robinson, vond ik bijgaande afbeelding van de Radiant.
Nog belangrijker bleek een artikel te zijn in The Boston Daily Atlas van 8 februari 1853. Hierin stond een uitgebreide beschrijving van het schip, de klipper Radiant.
Het bleek dat het schip in East-Boston gebouwd werd in opdracht van de eigenaren Baker en Merrill. In tegenstelling tot wat eerder werd aangenomen was de “toekomstige” Lalla Rookh geen ijzeren schip, maar had ze een romp van eikenhout met spanten van pijnboomhout. Het schip was 61 meter lang en 12 meter breed. Er waren ruime verblijven voor zowel bemanning als passagiers, deze laatste zeer luxueus uitgevoerd. Slotconclusie van het stuk was dat de Radiant één van de beste schepen was, die de ontwerper ooit had laten bouwen, met uitstekende zeileigenschappen.
Hoe de eerste jaren van de Radiant verliepen vond ik in het boek The American Clipper Ship, 1845-1920, schrijver G. Knoblock. Vertaald luidde de tekst:
“Radiant, 1853, 1318 ton, gebouwd voor Baker & Morrill te Boston. Maidentrip naar California in 134 dagen, tweede reis New York naar Australië in 1855. Vervoerde in 1861 graan van San Francisco naar Queenstown, Ierland, vandaar naar Londen en daarna naar Cardiff, Wales.
Vertrok in 1863 vanuit Londen naar Mauritius en toen naar Calcutta, India, uiteindelijke bestemming onbekend. Er wordt beweerd dat het schip in den vreemde is verkocht, zonder verandering van naam, met als thuishaven in 1863, Calcutta.”

Lalla Rookh.
In de Mercantile Navy List (het belangrijkste register naast Lloyd’s) vinden we voor het laatst de Radiant terug in 1864. Daarna staat hetzelfde schip in diverse registers alleen nog maar vermeld als Lalla Rookh met registratienummer 41023.
Als thuishaven werd in 1865 vermeld Calcutta en als eigenaar de Calcutta Ship Company. In de daaropvolgende jaren bleef de thuishaven dezelfde, maar verwisselde het schip diverse malen van eigenaar.
1865: Calcutta Ship Company.
1867: G.D. Galstann, Calcutta.
1868: Marcar Gegory, Calcutta.
1870: William S. Millard & William R. Willis, Calcutta.
1875: Pestonjee Eduljee Guzfar, Calcutta.
1876: Pestonjee Eduljee Guzfar, Calcutta.
1879: Mirza Mohamed Ally, Calcutta.
1880: Mirza Mohamed Ally, Calcutta.

Ten tijde van het immigrantentransport had de Lalla Rookh dus een Engelse eigenaar. Dit was ook een onderdeel van het immigratiecontract met Engeland.
Welke reizen de Lalla Rookh verder gemaakt heeft is moeilijk na te gaan. De belangrijkste bron hiervoor zijn de scheepvaartberichten in de krant. Deze vermeldden destijds als regel niet tonnage of registratienummer van het schip.
De naam van de kapitein werd echter meestal wel vermeld. Kapitein tijdens de overtocht met de contractanten was R.H. Gilliat. In combinatie met de naam Lalla Rookh vinden we hem nog tweemaal in de scheepstijdingen:
-In aanloop naar het ophalen van de Hindostaanse contractanten ging het schip eind 1872 via Mauritius naar Galle, hoofdstad van Ceylon.
-Na Paramaribo ging het schip via Demarara naar Trinidad en vandaar naar Porto Plato.

Hierna is bij scheepvaartberichten in diverse kranten niets meer te vinden over een Lalla Rookh met kapitein Gilliat.
In de scheepsregisters komt het schip nog tot 1881 voor. Maar scheepsregisters vertellen ons niets over de reizen die de schepen gemaakt hebben.
Enkele jaren later vinden we Gilliat als kapitein op een ander schip.
Het verdere lot van de Lalla Rookh zou gevolgd kunnen worden als bekend is welke kapiteins na Gilliat het bevel over het schip gevoerd hebben.
Of dit nog na te zoeken valt, is de vraag.

 


Plantage Jaglust
  Auteur: Jacob van der Burg