Zoeken in Anda Suriname

Herinneringen aan een rot jeugd

← Terug

HERINNERINGEN AAN EEN ROT JEUGD
((over Don Walther, Switie Sranang)

fotograaf Nicolaas Porter.

“Laten wij aanstonds de mythe uit de wereld helpen als zou Sranang swietie zijn. Integendeel. Het is geen best land, is het nooit geweest ook. Vroeger niet, nu ook niet. Het werd niet gegrondvest op harmonie of tolerantie maar op conflict en haat. Dat was al zo voor de blanken er voet aan land zetten. De Indianen die er ronddoolden (Arowakken, Warrauws, Caraiben, Surinen of hoe ze allemaal ook verder mochten heten) plachten elkaar al uit te roeien vermoedelijk uit pure verveling, bij wijze van sport of uit vendetta. De kolonialen die er ten tonele verschenen deden een duit in het zakje. Groot was de onderlinge haat en rivaliteit tussen Joden en blanken, tussen blanken onderling en Joden onderling. De Ashkenaziem en de Sephardim bijvoorbeeld gunden elkaar nauwelijks het licht in de ogen.”

Zo luidt een alinea van het inleidende hoofdstuk uit Swietie Sranang. Kan me nog meer vertellen. Herinneringen aan een rot jeugd van Don Walther. En Walther gaat nog even door: de aangevoerde zwarte stammen brachten hun haat en nijd mee, de Aziaten hun kasten en religieuze vetes, de creolen zien zichzelf als zwarten of mulatten en het enige wat de laatste groep wil is wegwezen.

Kortom Suriname ‘werd en wordt bewoond door haatdragende, gefrustreerde, jaloerse, naijverige, kwaadaardige individuen die elkander het licht in de ogen niet gunnen en etnische groepen die op elkaars vernietiging uit zijn.’ Zo is het kompas waarmee Don Walther ons het bos van zijn memoires in stuurt. Maar het kompas dat ons zo ferm de windstreken leek aan te tonen, wil maar niet werken. De herinneringen die Walther ophaalt aan de jaren 1935-1945 zijn helemaal niet zo donker van toon.

Het zijn de herinneringen aan een jeugd zoals een ieder die gekoesterd kan hebben. In de memoires sluipt zoveel nostalgie en vertedering dat ze een loopje gaan nemen met de man die meende er zo’n pessimistische inleiding op te moeten schrijven.

Don Walther (pseudoniem van Walther Donner) beschrijft het leven in en rond de straat waar hij in 1929 geboren werd, de Gonggrijpstraat. Deze straat strekt zich ten noorden van de Gravenstraat uit langs vele percelen waarop vertegenwoordigers van alle bevolkingsgroepen van Suriname zijn neergestreken.

 

Die hele bonte stoet van alledaagse en excentrieke figuren zet Walther met veel verve neer en het moet voor mensen die de oorlogstijd in die straat hebben doorgebracht een genot zijn om dat allemaal weer te zien worden opgeroepen. Ook andere lezers houdt de schrijver bij de les en hij beschikt daartoe over een uitgebreid repertoire aan levendige anekdotes die hij met smaak opdient. De wereld van heren en hosselaars, meidmangs en snollen, dwergen en reuzen, onderwijzers en onderkruipsels, van knokpartijen, knopendraaien en knapenliefde rijst zonder moeite uit het boek op.

 

Daar zijn de gezusters Montel, dames van plezier die goed verdienden aan de in Suriname gelegerde Amerikaanse militairen. De heer van Vreet die ‘een schlung bezat met de omvang van een zaklantaarn van vijf cellen’ en die een hoer bezocht en bij haar zoonlief aantrof (‘Ben je dat Pa? Kom binnen man.’). De heer Reiziger die een ‘collegie’ bezat aan de Malebatrumstraat (een plaats waar gelegenheid werd gegeven tot dobbelen). Meneer Emanuels (‘Rabba’) die zijn leerlingen stokslagen gaf, maar eerst in hun broek voelde of zij geen schrift tussen broek en zitvlak hadden geschoven ‘Rabba’ deed dat ook bij de meiden. Dat was zijn hebbelijkheid.’) Zo beschrijft Don Walther de geschiedenis van de gewone man, zijn struggle for life en zijn hebi’s, maar geeft en passant ook heel wat informatie over gebruiken en zaken die vaak al lang verdwenen zijn: de manier waarop de Surinamers in die jaren hun vrije tijd vulden, spelletjes, sport, schoolvakanties, grappen en kwajongensstreken, jagen en vissen.

De schrijver stamt zelf van Duitse immigranten-grootouders die zich natuurlijk verheven voelden boven het plebs, maar zich aan alle eigenaardigheden van een nog sterk koloniale maatschappij niet konden onttrekken. Evangelische en katholieke takken van de familie sleurden de jonge Donner van de ene school naar de andere, zodat wij hem nu als chroniqueur van beide schooltypes kunnen tegenkomen.

 

Zelf moet de kwajongen-Donner zich toch vooral met de mulatten van zijn straat hebben geïdentificeerd. De schilderingen die hij van andere dan de creoolse stadscultuur geeft, zijn overduidelijk beschrijvingen van buitenaf. Herhaaldelijk stelt hij vast dat ‘wij geen bliksem begrepen’ van de Javaanse, Indiaanse of Hindostaanse cultuur. Voor een voormalig hoogleraar is de oppervlakkigheid waarmee die ‘vreemde’ culturen worden neergezet op z’n zachtst gezegd opvallend – men zie maar eens wat hij over Indianen schrijft in het boven geciteerde stuk uit de inleiding. Op veel plaatsen schrijft hij manifest nonchalant (‘Ik kan niet op de naam van deze school komen’) en blijkt ook niet dat de auteur zich veel moeite heeft willen getroosten om zich in zijn onderwerp te verdiepen.

 

Hij is doodordinair slordig (bijvoorbeeld in de spelling van veel namen), geeft daardoor ook enkele hinderlijke herhalingen en drukt zich soms weinig subtiel of zelfs denigrerend uit (zoals wanneer hij spreekt over het ‘taaltje van de Indianen’) Niettemin, (of juist daardoor) ontstaat een spontaan beeld van tien jaar Suriname, een levend getuigenis vanuit een creoolse zienswijze. Voor deze wijze van schrijven pleit ook dat de schrijver in geen enkel opzicht een blad voor de mond wil nemen. Moge hij dan gezien zijn inleiding gedesillusioneerd zijn (‘realistisch’ zal hij zelf zeggen), hij zegt bij tijd en wijle ook ‘harde’ dingen die met name door schrijvers die buiten de grenzen van Suriname leven, niet zelden met de mantel der liefde, der nostalgie of der onnozelheid worden bedekt.

Don Walther is er niet de man naar zich beter voor te doen dan hij is. Pikant is het dan ook om te lezen hoe hij al heel vroeg een kleine meester in het dobbelen was en hoe zijn tante werd ingerekend wegens chinees dobbelen. Later zou Donner een veroordeling aan zijn broek krijgen wegens malversaties met een loterij. Hij verlegde vervolgens zijn talenten naar andere terreinen, promoveerde in 1962 op een economisch proefschrift en werd in Costa Rica hoogleraar in de Internationale Economische Betrekkingen.

Inmiddels heeft hij als Don Walther ook een hele reeks romans op zijn naam staan. De laatste publiceerde hij in het Engels onder een nieuwe pennenaam: Jefferson William. Het boek heet The case of the hairy grotto en al wordt het land nergens genoemd, het is zo klaar als een klontje dat Suriname en Donners lotto-avontuur het decor leverden voor dit boek.

Het plot is gauw verteld: Benjamin Branker wordt beschuldigd van de moord op Jamily Cumpleanos. We komen te weten dat hij een goede baan op een ministerie had en gelukkig getrouwd was. Dankzij de minister-president kan hij een eigen kantoor openen, maar hij moet politieke diensten bewijzen.

 

Als stakingen uit de hand dreigen te lopen, wordt Branker opgeofferd. Hij begeeft zich te goeder trouw in het bouwbedrijf van de weduwe Cumpleanos, maar brengt haar tot bankroet. Wegens zwendel met een loterij wordt hij veroordeeld; zijn vrouw verlaat hem. Na zijn straf neemt de weduwe hem liefdevol op, hij begint een relatie met haar en tegelijkertijd met haar dochter Nicole. Als de weduwe vermoord wordt, wordt Branker ter dood veroordeeld. Uit een nagelaten papier van huisvriend doctor Wiggins blijkt deze zijn leven lang op Jamily verliefd te zijn geweest en zowel haar als haar man vermoord te hebben.

Het verhaalgegeven munt niet uit door oorspronkelijkheid, maar het geheel zit goed in elkaar, is vlot verteld en houdt de spanning er goed in. De intriges in het kleine, ‘fictieve’ West-Indische land komen goed uit de verf. De dwarsverbanden die lezers ongetwijfeld zullen leggen tussen Donners levensloop, deze roman en een aantal details uit Swietie Sranang, maken de zaak er misschien pikanter op, maar moeten door de literaire kritiek als volstrekt verwerpelijk beschouwd. Het gaat toch om fictie!

  Auteur: Nico Eigenhuis