Terug

Lezingen

Op 28 januari 2004 verzorgden Els Moor en Sharda Ganga op uitnodiging van S'77 lezingen in Tori Oso. De lezing van Els Moor heette 'Van Oso naar Tori Oso'. Een verwijzing naar het symposium van de in Nederland gevestigde Stichting OSO voor wie zij de lezing het vorig jaar heeft verzorgd. Haar onderwerp was 'Surinaamse schrijfsters'. Sharda Ganga had het over "Identiteit en Nationale Cultuur in het Surinaams Theater na 1975." Beide lezingen gaven behoorlijk stof voor reactie door het publiek.

VAN OSO NAAR TORI OSO     ( Els Moor )

Wat ben ik komen doen? Geen lezing over 'de vrouw' in de Surinaamse literatuur, zoals aangekondigd staat.

Dat heeft de Johanna Elsenhout bibliotheek gedaan, 10 jaar geleden. Cynthia Mc Leod besprak toen 'de vrouw' in de Surinaamse literatuur. Ze kwam tot de conclusie dat de vrouwen in Surinaamse romans nogal zielige figuren zijn. Het onderwerp werd ook wetenschappelijk bekeken door Martha Tjoe Ny. De conclusie na discussie was toen dat er onderzoek gedaan zou moeten worden naar wat het specifieke is aan vrouwelijke romanpersonages in de Surinaamse literatuur.

Dat is niet meer gebeurd. Ik ga nu niet kijken naar vrouwelijke personages in de literatuur, maar naar de positie en het werk van vrouwelijke auteurs van Surinaamse afkomst.

   
En dan zie je de vrouwelijke auteurs vanaf eind zestiger jaren zeventiger jaren opkomen. En nu, na 2000 is er zelfs sprake van een explosie van vrouwelijke prozadebutanten hier en in Nederland Zeven debuterende prozaschrijfsters. Wie zijn ze? Wat voor werk schrijven ze? Hoe liggen ze in het totaal van de Surinaamse literatuur door vrouwen? Dat zijn zo'n beetje de vragen en ik hoop dat er een levendige discussie volgt..

Cándani (1965), pseudoniem van Asha Radjkoemar, bekend door drie dichtbundels, debuteerde als romanschrijfster met de korte roman Oude onbekenden die gevolgd werd door Huis van as. Beide werden in Nederland bij In de Knipscheer uitgegeven. Annel de Noré (1950), pseudoniem van Netty Simons, debuteerde met De bruine zeemeermin, Rita Rahman (1952) met Liefdesgeuren, beide eveneens bij In de Knipscheer. Chandra Doest (1974) publiceerde Anton en Annissa bij Vassallucci. Mala Kishoendajal (1959) schreef Dame Blanche en Het boegbeeld; beide romans kwamen uit bij opnieuw In de Knipscheer. Annette de Vries (1954) debuteerde met Scheurbuik bij Atlas en tenslotte Marylin Simons (1959): zij komt binnenkort uit met haar verhalenbundel, Carrousel, bij uitgeverij Okopipi in Paramaribo. Het werk van deze zeven auteurs was het onderwerp van mijn voordracht op het colloquium over Surinaamse Literatuur, dat op 29 november gehouden werd in Amsterdam in het Tropen Museum door de Stichting ter bevordering van de Surinamistiek. Daar kwamen verschillende onderwerpen aan bod, van de koloniale literatuur tot en met onze 7 schrijfsters. Ieder onderwerp werd door twee inleiders belicht en die werden van commentaar voorzien door een commentator, die de discussie prikkelde. Mijn partner was Isabel Hoving, literatuurwetenschapper met als specialiteit Caribische literatuur door vrouwen. Onze commentator was Noraly Beyer. Na de inleidingen en het commentaar volgde steeds een levendige discussie.

Schrijvende vrouwen in vroeger eeuwen

De Surinaamse literatuur werd tot de helft van de vorige eeuw nog door mannen bepaald. Daarom is de explosie van vrouwelijk schrijven, die in de jaren zeventig van de vorige eeuw inzette, op zijn minst verwonderlijk. 'Begint de autoritaire rol van de zwarte man te tanen?', vroeg men zich af tijdens de discussie op het colloquium. Wie Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur (2002) van Michiel van Kempen doorbladert en vooral de inhoudsopgave van deel I bekijkt, ziet bevestigd dat de Surinaamse literatuur tot Sophie Redmond (1907-1955) geen vrouwelijke auteurs kent.
Wel zijn er al in de zeventiende en achttiende eeuw vrouwen van elders geweest die een roman schreven die geheel of gedeeltelijk in Suriname speelt: van de Engelse Aphra Behn (1640-1689), die als jonge vrouw korte tijd in Suriname verbleef, verscheen in 1688 Oroonoko, or The royal slave, en de Nederlandse Elisabeth Maria Post (1755-1812), die zelf nooit in Suriname geweest is maar een broer had die plantagehouder was in Guyana, publiceerde in 1791/1792 haar roman Reinhart, of natuur en godsdienst. Beiden waren verlichte auteurs, die binnen Europese tradities gefascineerd waren door het thema 'nobele wilden'. Hun werk, vooral Oroonoko, heeft de tijd overleefd. In Suriname heeft Sharda Ganga met haar Theater Collectief onlangs een interessante toneelvoorstelling geproduceerd, waarmee ze het traditionele beeld van de schrijfster Aphra Behn, als een nobele vrouw vol compassie, omverschopte. Maar deze vrouwen waren geen Surinaamse auteurs. Schrijvende vrouwen ontbreken in het overgebleven literaire materiaal, niet alleen van de zeventiende en achttiende eeuw, maar ook van de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw.
De eerste Surinaamse vrouwelijke auteur, van sociaal toneelwerk, was Sophie Redmond die een sterke impuls gaf aan de volksklasse vanuit haar overtuiging dat cultuur sterk emancipatorisch kan werken. Thea Doelwijt (1938) trad in haar voetsporen. Zij schreef korte romans en jeugdboeken en bundelde onuitgegeven Surinaams werk. Zij beoogde hiermee, evenals haar mannelijke collega-schrijvers die deel uitmaakten van de nationalistische groep rond Wi egi sani, het gevoel van eigenwaarde, met name op het gebied van cultuur, bij Surinamers te bevorderen. Sophie Redmond was voor Doelwijt een voorbeeld. Zij gaf haar toneelwerk uit en schreef over Redmonds leven het toneelstuk Een dikke, zwarte vrouw als ik (1984). Werken aan bewustwording heeft altijd hoog in Doelwijts vaandel gestaan, vanaf de jaren zeventig vooral ook via cabaret en toneel, genres waarmee het publiek directer te benaderen is dan met proza. Na de decembermoorden in 1982 schreef ze nieuw toneelwerk en proza, waarmee ze steeds kritischer in beeld bracht wat 'het revolutionair proces' met mensen deed. Ervaringen na de onafhankelijkheid van Suriname hebben ertoe geleid dat haar latere werk niet meer het optimistische karakter heeft van de nationalistische periode, maar ook verdeeldheid en gebrek aan solidariteit laat zien.

Een nieuwe generatie schrijfsters

Vanaf het eind van de jaren '60 kwam een nieuwe generatie vrouwelijke auteurs op. Bea Vianen had daarin een belangrijke rol met haar romans waarmee zij dieper graaft in de psychologie van haar romanfiguren dan haar voorgangsters deden. Het accent wordt veel meer gelegd op de problematiek die samenhangt met dekolonisatie: de erfenis van het kolonialisme, sociale problematiek, het isolement van een geïsoleerde samenleving, identiteitsproblematiek, migrantenproblematiek, enz. De zwaarte van het nieuwe bestaan wordt voelbaar in de literatuur. Maar ook Astrid Roemer (1947) en Ellen Ombre (1948) schetsen in hun werk beelden van armoede, gefrustreerde verhoudingen tussen ouders en kinderen, migrantenproblemen en een desastreus politiek beleid. Het is het resultaat van onderzoek van binnenuit naar de Surinaamse samenleving. Roemer behandelt in haar trilogie, Gewaagd leven (1996), Lijken op Liefde (1997) en Was Getekend (1999) de zware problematiek van deze dekoloniserende samenleving en maakt daarbij gebruik van sterk symbolische motieven zoals dood, moord, zelfmoord, abortus en onvruchtbaarheid. In het laatste deel, vlak voor de eeuwwisseling uitgekomen, suggereert ze nog hoop voor de individuele mens die zich bevrijdt van de hebi's van het verleden en eigen positieve keuzes maakt. Niets van het optimisme uit de jaren '60 dus, dat verbondenheid suggereerde.
Twee vrouwelijke auteurs nemen een speciale plaats in: Joanna Werners (1953), de eerste die op een openhartige manier homoseksualiteit tot een centraal thema maakt. Zij kan gerekend worden tot de feministische literatuur, waarmee ze voor het Surinaamse publiek in ieder geval baanbrekend werk verrichtte. Dat is op een heel andere manier ook het geval met Cynthia Mc Leod. Zij schreef romans over onderwerpen uit de Surinaamse historie, die in zeer goede aarde vielen, vooral bij Surinaamse lezers in Suriname en in Nederland. Haar grote verdienste is het dat ze de eigen historie dicht bij het volk brengt.

Zo is het beeld van de literatuur door vrouwelijke auteurs van Surinaamsen huize in Nederland en Suriname aan het einde van de twintigste eeuw. De grote mannelijke romanschrijvers produceren dan geen romans meer : Edgar Cairo overleed in 2000 en had toen al tien jaar niet meer geschreven en Leo Ferrier was er al lang mee opgehouden. De nieuwe held is Clark Accord (1961) met zijn succesroman De koningin van Paramaribo (1999), een geromantiseerde biografie van de prostituee Maxi Linder. John de Bye (1942) trad met de uitgave van zijn historische roman Ter dood veroordeeld (2000) bij uitgeverij Ralicon in Paramaribo in het voetspoor van Cynthia Mc Leod, hoewel hij haar populariteit niet evenaarde. Accord en De Bye zijn de hanen in het hok van de schrijfsters van de nieuwe eeuw.

Cándani

Zowel Oude onbekenden (2001) als Huis van as (2002) van Cándani zijn gefocust op de kleine wereld van gezin en familie. In Oude onbekenden is de hoofdpersoon een jonge vrouw van Surinaams-hindostaanse afkomst die vanuit Nederland waar ze werkt en woont, een bezoek brengt aan haar vaderland Suriname. Ze zoekt naar de oplossing van vragen betreffende het gezinsleven uit haar vroege jeugd, die haar in haar huidige leven nog bezighouden. Ook Amelia uit Huis van as doet schokkende ontdekkingen over het gezin waaruit ze komt. In beide boeken zien we de hoofdpersoon met veel liefde en tedere herinneringen kijken naar de eenvoud van het districtsleven, midden in de natuur, waar hun zuivere jeugdherinneringen liggen. Een terugkerend motief in Cándani's werk is dat van de 'poppetjes van klei' die ze als kind maakte, en met haar verbeelding tot leven riep, een prachtige symboliek voor de eigen wereld van het kind. Die wereld van de verbeelding beschermde haar tegen de wereld van de volwassenen waarin incest, overspel, pogingen tot vergiftiging met sneki-koti van een ongewenste baby, haat tegenover elkaar en liefdeloosheid ten opzichte van kinderen het leven verpestten. Interessant is dat het ´lichaam van klei´ ook in de doodslyriek van de hindoes een rol speelt als teken van vergankelijkheid. De broosheid van de jeugdherinneringen wordt daarmee op een poëtische manier onderstreept. In haar proza verraadt Cándani haar dichterschap.
Ouder geworden, vervreemdt de hoofdfiguur van zichzelf en zoekt dan naar de wortels van haar leed, terwijl andere familieleden het verleden van zich afgegooid hebben en in het hier en nu leven.

Annel de Noré

Ook De bruine zeemeermin (2001) van Annel de Noré gaat over het familie- en gezinsleven, waarbij geweld binnen de man-vrouwrelatie een belangrijke plaats inneemt. Een universele thematiek krijgt hier een Surinaams gezicht. Centraal staat Ingrid, een in Suriname geboren en getogen vrouw, die probeert een eigen leven te beginnen, los van haar alcoholische echtgenoot die haar regelmatig mishandelt. Na een kortstondige, romantische liefdesrelatie met een oudere man, vlucht ze toch weer naar echtgenoot en gezin. In het sprookje dat haar minnaar haar ten afscheid vertelt, offert een zeemeermin haar prachtige stem op om van de liefde te kunnen genieten, maar verliest daarmee het belangrijkste van zichzelf. De hoofdpersoon in de roman offert haar liefde op terwille van haar gezin (dat daar echt niet gelukkiger van wordt). Zij verliest daarmee haar verworven vrijheid. De Noré schetst in De bruine zeemeermin verschillende typen vrouwen: de vrouw die niet voor zichzelf kan kiezen, de krachtige zwarte vrouw die dat wel kan en daardoor een sterke uitstraling heeft naar haar omgeving en de figuur van de dochter die verhardt tijdens haar jeugd in het onharmonische gezin en volwassen geworden de strijd moet aanbinden tegen haar jeugdervaringen. De structuur van de roman is hierop gebaseerd: in ieder hoofdstuk staat een der vrouwen in een bepaalde rol (moeder, dochter, tante, vrouw) centraal. De Noré geeft met haar verhaal geen beeld van een bepaalde periode in Suriname. De maatschappelijke noch de politieke situatie wordt beschreven. Zij slaagt erin op authentieke wijze, van binnenuit, de gevoelens van de verschillende vrouwen te beschrijven, waarbij ze tot in kleine details de typisch Surinaamse manier van omgaan met elkaar en het taalgebruik weergeeft, ook van kinderen.

Rita Rahman

Het romandebuut van Rita Rahman, Liefdesgeuren (2001) speelt zich af op het politieke én op het familiale niveau. De complexiteit van inhoud en structuur maakt het boek niet makkelijk leesbaar. Rahman vervlecht de persoonlijke geschiedenis van haar personages met de gecompliceerde recente geschiedenis van een Caraïbisch eiland, waarin Suriname te herkennen is. De vertelstructuur onderstreept dit op een geraffineerde wijze. De hoofdpersoon, weer een jonge vrouw uit een Caraïbisch land, fungeert als een soort Sheherazade voor een Nederlandse politicus. De therapie van haar oma tegen slapeloosheid, vertellen, past ze op hem toe. Die vertellingen waarin de hoofdfiguren ook weer hun verhaal vertellen, gaan over de trieste lotgevallen van politiek linkse idealisten die zich laten strikken in de webben van de dictatuur tot en met de gruwelijke moorden op politieke tegenstanders door het dictatoriale regime, die in het leven van de romanfiguren verdriet en nog meer verwarring brengen. De vertellende therapeute heeft minder onschuldige plannen met haar klant dan hem bijstaan om van zijn slapeloosheid af te komen. Hij is een nakomeling van een van haar blanke voorouders uit de slaventijd. Als hij haar zwanger maakt kan de navelstreng van het kind in Suriname begraven worden. Dit ritueel, het is de vurige wens van haar oma, moet dan het noodlot dat de familie teistert, opheffen. Een offer aan moeder Aisa. De gescheurde bere (lett. Buik, ook familieverband) moet één worden om het noodlot van de vroege dood van de mannelijke nakomelingen van de familie te laten ophouden. Daar de grootmoeder eerder sterft dan de geboorte van de baby zou moeten plaatsvinden, besluit de vrouw tot abortus, waardoor er toch een navelstreng begraven kan worden. De onprofessionele uitvoering daarvan maakt dat de vrouw onvruchtbaar wordt. De Noré en Rahman laten een ontwikkelde vrouw een zinloos offer brengen, voor het gezin, voor de familie. Een zware symboliek voor de zwaarte van het Surinaamse bestaan, met name dat van de vrouw, die veel moet opofferen van zichzelf zonder dat het offer tot positieve resultaten leidt.

Annette de Vries

In Scheurbuik (2002) van Annette de Vries is de thematiek verwant met de voorgaande. Net als bij Rahman speelt de verscheurdheid van de bere in een familie een grote rol. Ook in deze roman is de buik van de familie gescheurd in de slaventijd door witte en zwarte voorouders. De hoofdpersoon is een Nederlandse actrice van Surinaamse afkomst. Ze komt naar Suriname om haar jeugdvriend bij te staan die ongeneeslijk ziek is. Op alle mogelijke manieren wordt ze geconfronteerd met zijn familieleden: met de verscheurdheid van hun persoonlijke levens, met hun verschillende leefwijzen - van westers tot levend in eenvoud in de natuur met het geloof in de voorouderwereld. De confrontatie met Suriname maakt Lucia bewust van haar eigen positie in Nederland, waar haar identiteit vaak op de proef gesteld wordt door verkapte of openlijke discriminatie, hoewel ze maatschappelijk en artistiek veel heeft bereikt.

Chandra Doest

Chandra Doest is de jongste van de zeven schrijfsters. Zij is de enige die in Nederland geboren is, uit Surinaamse ouders en opgegroeid in een Surinaamse christelijke traditie. Nieuw aan haar roman Anton en Annissa (2001) is dat ze de Libanese bevolkingsgroep erin betrekt, maar helaas vertelt ze er niets wezenlijks over. Ze gaat over een van de meest betreden paden uit de wereldliteratuur: 'Zij konden bij elkander niet komen, want het water was veel te diep.' Een Libanees meisje en een creoolse jongen worden verliefd op elkaar in Paramaribo. Dat loopt helemaal fout. Als zij zwanger is van haar liefste, zet vader haar, om schande te vermijden, op de boot terug naar Libanon. Maar ze gaat in Amsterdam van boord en begint een eigen leven, met haar kind dat later geboren wordt. Was het water nou werkelijk zo diep? Kon ze echt nooit meer contact hebben in latere jaren met haar Anton of hij met haar? Pas haar kleinzoon doet dat. Na haar dood gaat hij naar Suriname en heeft daar contact met zijn opa. Zo diep als het water is, zo oppervlakkig is het verhaal, dat is overgoten met een zwaar christelijke denktrant die menselijke nuanceringen wegdrukt.

Mala Kishoendajal

Mala Kishoendajal is al sinds haar kindertijd in Nederland, in Den Haag. Haar twee romans laten het leven van Haags-hindostaanse dames zien, dol op Bollywoodfilms en de muziek daaruit. Bijfiguren, zoals dienstbodes en oma's koesteren nog wel wat herinneringen aan Suriname. Die gaan echter niet diep, weerspiegelen een westerse blik op Suriname en zijn nogal clichématig. De hoofdfiguren zijn cultureel meer geörienteerd op India dan op Suriname. Het nieuwe, authentieke en leuke aan vooral Dame blanche (2001) is het samengaan van een modern westers leven met tradities uit en eerbied voor de hindoecultuur. De vermenging van moderniteit en traditie, westers en hindostaans, is vanzelfsprekend in haar werk, geeft geen aanleiding tot zoektochten naar identiteit, zoals bij Cándani en Annette de Vries. De universele thematiek van geweld binnen het huwelijk speelt in Dame blanche ook een rol, maar de geëmancipeerde hoofdfiguur weet er voorgoed afstand van te nemen en haar eigen leven te realiseren. Dit in tegenstelling tot Ingrid uit De bruine zeemeermin in Suriname, die zich opoffert en teruggaat naar haar man. Dat bevestigt het beeld dat Cynthia Mc Leod tien jaar geleden beschreef van Surinaamse vrouwelijke romanpersonages. Het werk van Kishoendajal zou ik niet tot de Surinaamse literatuur of migrantenliteratuur rekenen, maar tot de literatuur van intercultureel Nederland. Indrani is een 'Hollandse hindostaanse', wat de vrouwen in de romans van Cándani maar ten dele zijn. Die reizen nog naar Suriname op zoek naar herinneringen en voelen zich nog zeer verwant met Suriname. Hun leven zweeft nog ergens tussen de beide landen. Dat is zowel in Dame blanche als in haar tweede roman, Het boegbeeld (2002), niet het geval. Daar is de problematiek geworteld in de interculturele Nederlandse samenleving. Het boegbeeld is een soort sleutelroman, waarin de Nederlandse lezer veel zal herkennen van het drama van het Groen Links Kamerlid Tara Oedayrajsing Varma.

In Amsterdam heb ik op deze plaats in de voordracht een beschrijving van mijzelf en wat ik hier doe gegeven. Vooral om aan te geven dat het mijn opvattingen zijn die ik weergeef. Ik heb mijzelf een beetje met Lucia uit Scheurbuik vergeleken.
Ik hoor er in Suriname bij, maar aan de andere kant ook weer niet. Dat is net zo'n verscheurdheid als Lucia uit Scheurbuik aan de andere kant van de oceaan ondervindt. Zoals zij in Nederland met vooroordelen ten opzichte van zwarten geconfronteerd wordt, zo word ik dat met die over 'blanken'. Eigenlijk mag ik ook geen negatieve dingen zeggen in een literaire kritiek in de Ware Tijd Literair. Dat geeft in Suriname aanleiding tot heftig protest. Denk maar aan de uitzending op 3 maart 2001 van het radioprogrammaVan van Fredrikslust, 90 seconden naar aanleiding van een zin uit mijn recensie van De vrije negerin Elisabeth van Mc Leod, waarin bellers zeiden dat ik moest gaan waar ik vandaankwam, maar op een vraag openlijk zeiden dat ze het boek van Mc Leod, noch de recensie gelezen hadden.

De met literaire middelen uitgedrukte situatie van de gecompliceerde Surinaamse samenleving in de romanliteratuur te beginnen met Vianen en Roemer spreekt me erg aan. Dat zien we bij de 7 schrijfsters vooral bij Rita Rahman en Annette de Vries ook.

De lieve tante Helen in Scheurbuik pleegt zelfmoord. Ze kan niet verder leven nadat ze getuige was van de gewelddadige dood van haar buurman door de hand van een militair, waarbij haar man onzichtbaar bleef en geen poot uitstak. Dat zijn scheuringen in persoonlijke levens die er niet om liegen. De Vries heeft ook de gespletenheid in de familie van de vriend van Lucia mooi verbeeld. De moeder van haar jeugdvriend, Sophia, vertelt de oude verhalen over de familie, over de gescheurde bere, maar zij is ook degene die vanuit haar afkomst eigenlijk niet thuishoort in deze middenklassefamilie, er alles aan gedaan heeft om zich omhoog te werken en uiteindelijk als ze oud is beseft dat ze heeft gewerkt aan haar eigen eenzaamheid. De gescheurde bere tussen zwart en wit vanuit de slaventijd is een metafoor voor het Suriname van nu. Gescheurd omdat de helft van de Surinamers in Nederland woont en de families daardoor uiteengereten zijn, en om de oude culturele gescheurdheid, stammend uit de slaventijd, die nog steeds niet voorbij lijkt.

In dit verband is onvruchtbaarheid ook een interessant motief in het werk van Rahman en De Vries. Myrna uit Liefdesgeuren die na het offer van haar ongeboren kind onvruchtbaar is. Tante Helen die op haar oude dag haar onvruchtbaarheid extra voelt als haar man haar teleurgesteld heeft: zij pleegt zelfmoord in de Stille Kreek. Het zijn beelden die verwijzen naar een groter verband dan alleen het familiale, situaties van onopgehelderde misdaden, lafheid en persoonlijke frustraties die verscheurdheid teweegbrengen in het land en het onvruchtbaar maken in de zin van een groot gemis aan dynamiek.

Zo'n diepgaande symboliek vinden we niet bij Cándani. Zij volgt in haar werk de problematiek van individuele migranten. Die worden nauwelijks in een groter, historisch verband geplaatst. De kracht van haar werk zit in haar zuivere beschrijving van het districtsleven van eenvoudige mensen. Daarmee laat ze een stuk authentiek Surinaams leven zien op een liefdevolle manier. Maar ook in Scheurbuik van De Vries heeft het armoedige huis in de Para aan de Stille Kreek van Ferdinand en Helen, waar nog een geest van een voorouder rondwaart, een centrale plaats. De keuze van de zieke Miquel die uit Nederland naar Suriname komt om er te sterven, voor déze plek en déze oom, is een sterke poging om de gescheurde buik te dichten.

Marylin Simons

Marylin Simons, tenslotte, brengt in Carrousel (2004) verhalen die stuk voor stuk in Suriname spelen en voor 100% Surinaams zijn. Ze doet dat, ondanks de tragische inhoud van de verhalen, met een verbazingwekkende lichtheid en een grote openheid. Taboes, die zo talrijk liggen opgestapeld in de Surinaamse samenleving, doorbreekt ze op een volkomen vanzelfsprekende manier. Haar taalgebruik is licht, wendbaar, beeldend en Surinaams. Wat betreft stijl en taal wijkt Marylin Simons af van de anderen. Zij laat in haar verhalen de rijke verscheidenheid zien van het Surinaams-Nederlands dat zich beweegt tussen het Sranan en Algemeen Nederlands, vanuit haar personages met hun eigen taalgebruik en hun eigen manier van kijken naar de Surinaamse werkelijkheid, helemaal van binnenuit. Ze schrijft met haar zintuigen en ze cijfert zichzelf daarbij weg: ze wordt haar verhaalfiguren. We horen en voelen, ruiken en snuiven en zien alle kleine bijzonderheden van de omgeving zonder dat het langdradig wordt. Deze oorspronkelijke manier van schrijven maakt dat de tragiek van de inhoud consumeerbaar wordt. Want ook in de verhalen van Marylin Simons is de zwaarte van het menselijk bestaan hoofdonderwerp. Herkenbare tragiek: kinderen die ontaarden door de machteloosheid van volwassenen, een baby die doodgaat, geweld tegen kinderen, pedofilie en drugsproblematiek. Dat is maar een greep. De verhaalfiguren en hun daden zijn er zoals ze zijn en ze worden niet getekend als daders en slachtoffers, wel als mensen die iets overkomt.

Conclusies

De zeven schrijfsters zijn niet vernieuwend op het gebied van hun thematiek. Universeel menselijke thema's zoals de zoektocht naar de wortels van het zelf, het leed van ouders en kinderen tot in het zoveelste geslacht en liefde en dood zijn verstrengeld met meer Caraïbische thema's zoals migratie en de diepe werking van de historie die verscheurdheid teweegbrengt. Zulke thema's kwamen al voor bij Astrid Roemer en Bea Vianen, maar het zijn geen typisch vrouwelijke thema's. Het 'negerverdriet' dat Edgar Cairo in zijn werk uitdrukt en de zoektocht naar identiteit in de roman Atman (1968) van Leo Ferrier verwijzen immers ook naar verscheurdheid.

Twee dingen vind ik zelf heel erg boeiend: de lijn van helemaal Surinaams bij Simons en De Noré naar helemaal intercultureel Nederlands bij Kishoendajal met tussenstadia bij de anderen. Wie Carrousel en Het boegbeeld vlak na elkaar leest begeeft zich in verschillende werelden, die op de kalender ongeveer gelijk aanwezig zijn.Van Magentapolder tot modern Den Haag draaien de romanfiguren in de kring van de familie en de cultuur van de voorvaderen. Ze zijn geen kosmopolitische burgers die zich bewegen door de wereld zoals de figuren in de romans van Albert Helman. Inhoudelijk bewegen alle zeven schrijfsters zich op het gebied van familie en gezin. Dat doorbreken is er nog niet bij. Traditie is nog altijd een heilig huis. Tijdens de discussie op het colloquium werd met name door Noraly Beyer en Isabel Hoving geponeerd dat gezin en familie zolang de romankunst bestaat model staan voor grote samenlevingen en zelfs voor de mensheid. Honderd jaar eenzaamheid (1972), het meesterwerk van de Columbiaanse Nobelprijswinnaar Gabriel García Márquez, is daar een sprekend voorbeeld van. Dat de romans van de zeven, onderling al sterk van kwaliteit verschillend, de literaire hoogte van de werken uit de wereldliteratuur op geen stukken na bereiken, daar was men het over eens tijdens de discussie.

Noraly Beyer, commentator van de voordrachten van Isabel Hoving en van mij, presenteerde zich als leisibakru die vanaf haar jeugd een grote leeshonger had. Zij formuleerde aan het einde van haar korte en indringende voordracht het standpunt van de lezer. Het gaat uiteindelijk allemaal om 'het verhaal'. Dat moet haar als lezer aan het denken zetten en haar inzicht geven in haar eigen complexiteit, die van haar afkomst of van haar eigen geschiedenis, van de geschiedenis van haar land of van haar familie, van de landen die zij bezocht heeft en de mensen die zij ontmoet heeft. De verhalen van de zeven schrijfsters komen daaraan tegemoet. Maar in zo'n verhaal moet zij zich ook kunnen verliezen, of zichzelf herkennen. Ze moet haar hartstochten erin kwijt kunnen en het moet haar verrassen en ontroeren. Die eisen hebben te maken met de kwaliteit van het werk. Wat dat betreft is er nog een grote uitdaging voor de Surinaamse auteurs van de 21ste eeuw.





Terug   Top


Aangeboden door: WWW. SURINAME . N U
Ontwerp en uitvoering: ANDA Suriname